Onze Gouden Eeuw staat nog altijd bekend als een tijdperk van kooplieden, regenten en predikanten. Dit beeld berust vooral op de geschiedschrijving over het economische mirakel dat het gewest Holland toen beleefde. In de oostelijke gewesten van de Republiek (Gelderland, Overijssel, Drenthe) was echter sprake van een traditionele standensamenleving. Hier was het onmiskenbaar de adel, die de toon aangaf. Macht en aanzien lagen in handen van adellijke geslachten als de Bentincks, Van der Capellens, Van Haersoltes en Van Heeckerens. Zij leefden in de overtuiging dat zij op grond van hun afkomst waren geroepen om te heersen over land en mensen.
Eervoorstellingen vormden het belangrijkste ordeningsprincipe in de Oost-Nederlandse adelscultuur. Zij bepaalden hoe men zich bewoog en kleedde, op welke manier men naar de wereld keek, en wat voor verwachtingen men zichzelf en anderen oplegde. Door het adellijke eerbegrip te ontleden en als sleutel te hanteren van de adellijke leef- en gedachtewereld, schetst Conrad Gietman een nieuw, verrassend beeld van een merkwaardige, fascinerende beschaving in het oosten van de Republiek,
Gebonden 343 pagina's | Gruting, Van | september 2010 |